Opiumbestrijding in Afghanistan

Tom Kramer & Martin Jelsma
Jun 8 2007
De Afghaanse regering staat onder enorme internationale druk om de papaverteelt te stoppen. Tom Kramer en Martin Jelsma, verbonden aan het Transnational Institute en gespecialiseerd in drugs en drugsbestrijding, reisden door Afghanistan en zagen wat dat in de praktijk betekent. Als een veld wordt vernietigd, kan een boer zijn schulden niet betalen. En rozen telen, daar zit ook geen schot in.

Italiano

Vanuit de hoofdstad Kabul zijn we per four-wheel drive jeep naar het noorden van het land gereisd, en via Kunduz verder oostwaarts naar Faizabad, de hoofdstad van de noordoostelijke provincie Badakhshan. Al snel kwam er een einde aan de asfaltweg. De rest van de tocht, die uiteindelijk tien uur duurde, ging over een onverharde weg vol kuilen. We reden over dorre bruine bergruggen, waar we af en toe een herder zagen met een kudde schapen en geiten. En we hobbelden door groene rivierdalen waar boeren hun akkers aan het ploegen waren, bij dorpen met lemen huisjes. De auto had het zwaar te verduren. Door alle kuilen en bobbels in de weg trilden de accukabels steeds los. Chauffeur Harun werd er moedeloos van. ‘Er is hier helemaal geen weg!’ mopperde hij. Hij was nog nooit in Badakshan geweest, en zwoer er nooit meer terug te zullen komen: ‘Ik ga nog liever naar Uruzgan.’ We kwamen pas na het donker aan in Faizabad.

De weg die we genomen hebben, is pas drie jaar geleden aangelegd. ‘Nu is er tenminste een weg,’ zegt Mohammed Ibrahim. ‘Voor die tijd ging al het transport met ezels.’

Recordoogst

De vijftigjarige Mohammed Ibrahim werkt voor Afghan Aid in de provincie Badakshan. Afghan Aid is een hulporganisatie die al vijftien jaar in het gebied actief is. ‘We moeten de arme boeren helpen,’ zegt hij boos. ‘Er moet geen vernietiging van papaverplanten plaatsvinden voordat er alternatieven voor hen zijn.’

Waar maakt Mohammed zich druk over, zou je zeggen. 2006 zag een recordoogst van ruim zesduizend ton. Afghanistan leverde hiermee meer dan negentig procent van de wereldproductie. De eerste prognoses voor 2007 wijzen op een nog grotere oogst. Maar de Afghaanse regering staat onder enorme internationale druk de papaverteelt te stoppen.

Badakshan is een van de voornaamste opium producerende gebieden in Afghanistan. Boeren produceren hier al jarenlang opium in de provincie, maar onder het talibanregime nam de teelt enorm toe. Dat kwam doordat de Tadzjieken die hier de meerderheid vormen de taliban tegenhielden, waarop het regime de provincie isoleerde. Hierdoor was het moeilijk voor boeren om inkomen te vinden, bijvoorbeeld door traditionele seizoensarbeid in andere gebieden. Tegenwoordig is er nog steeds niet genoeg werk en veel mensen trekken heen en weer voor arbeid in andere provincies, maar ook in Pakistan en Iran.

‘De voornaamste oorzaak van opiumproductie is de slechte economische situatie,’ zegt Mohammed Ibrahim. President Hamid Karzai heeft inmiddels een ‘jihad’ tegen opium aangekondigd en de regering, gesteund door Amerikaanse experts, is begonnen met het vernietigen van opiumvelden. De boerenbevolking is woedend, volgens Mohammed.

‘Veel van de armen hebben geen eigen land, dat huren ze van anderen,’ zegt hij in zijn kantoor in Faizabad. ‘Voor opiumproductie moeten ze veel investeren en moeten ze arbeiders huren om te helpen met onkruid wieden en met het oogsten. Als hun papaver wordt vernietigd, komen alle kosten voor hun rekening.’ Bovendien krijgen de boeren krediet van opiumhandelaren op basis van de verwachte opiumoogst. ‘Als hun veld wordt vernietigd, moeten zij die schuld nog steeds terugbetalen, ook al hebben ze geen inkomen.’

Opiumboeren

Mohammed neemt ons mee naar het district Argu. In een lokaal kantoortje van Afghan Aid ontmoeten we boeren uit de omgeving. We zitten op kleden en kussens die langs de muren liggen en drinken groene thee. De sfeer is gespannen. Mohammed heeft ons op het hart gedrukt niet zelf over opium te beginnen.

De oudste man, met een grijze baard en een witte tulband, neemt het woord.
‘Ons grootste problemen is de droogte,’ zegt hij. ‘Er is één bron bovenop de berg, maar geen systeem om het water vandaar naar de velden te krijgen. Verder is het moeilijk om aan zaden en kunstmest te komen. De prijzen zijn hoog.’ De andere boeren knikken instemmend.

Na een halfuur ontdooit het gezelschap een beetje. Men lijkt te beseffen dat we geen spionnen van de regering zijn. ‘Mijn land is afhankelijk van regenwater en produceert niet genoeg om mijn familie te voeden,’ zegt een boer van een jaar of vijftig. ‘Als het geïrrigeerd was, zou het groot genoeg zijn. We hebben de inkomsten nodig van de verkoop van dierlijke producten en opium.’
De oudste boer neemt opnieuw het woord. ‘Als onze opium wordt vernietigd, hebben wij geen mogelijkheid om in dit gebied te leven. Wij willen weten wat de regering voor ons aan het doen is. Ze krijgen een hoop geld, maar alles wat ze doen is hier komen en onze oogst vernietigen.’

Beperkte macht

Gouverneur Munshi Abdul Majid, een grote man met lange grijze baard zonder snor, zit achter een kolossaal bureau, met aan weerszijde grote bossen plastic bloemen. ‘Door onze activiteiten zal de opiumproductie met veertig procent afnemen van dertienduizend hectare in 2006 tot negenduizend hectare dit jaar,’ zegt hij. De gouverneur zegt wat hij moet zeggen, want president Karzai heeft de verantwoordelijkheid voor zijn jihad tegen de opiumproductie neergelegd bij de provinciale gouverneurs.

We zeggen dat boeren met wie we gesproken hebben de papaverteelt niet kunnen missen. ‘Ik voel medelijden met de mensen,’ zegt Munshi. ‘Ik leg grote druk op de boeren om met de teelt te stoppen, maar ik heb niets om hen te compenseren.’ Hij staat voor een moeilijk dilemma. Treedt hij te hard op, dan verspeelt hij steun onder de bevolking. Doet hij te weinig, dan wordt hij afgezet, of erger: dan stuurt Kabul de Afghan Eradication Force (de door de Amerikanen getrainde eenheid voor strafexpedities) naar zijn provincie. Dat wil hij kost wat kost voorkomen. Eind vorig jaar is die eenheid één keer opgetreden en daarbij zijn meteen doden gevallen. Dit jaar wil hij ze niet meer in de provincie zien, dus moet hij zijn eigen politie aan de slag zetten.

Munshi’s macht is sowieso beperkt. Hij is afhankelijk van lokale leiders en in sommige districten heeft hij helemaal niets te zeggen. Zijn tactiek is om dan maar te onderhandelen over de vernietiging van opiumvelden. Met sommige dorpen is afgesproken dat dertig procent van de oogst moet worden vernietigd. De boeren mogen zelf bepalen welke velden daarvoor in aanmerking komen – uiteraard de slechtste – en zij delen de schade.

En dan heb je natuurlijk de corruptie. Boeren klagen dat de lokale autoriteiten die het officiële beleid uitvoeren zelf betrokken zijn bij de opiumhandel. Verder kunnen rijkere boeren vernietiging van hun gewassen afkopen.

Volgens Mohammed Ibrahim raakt de vernietiging van de papavervelden vooral de arme boeren. ‘Alle problemen komen altijd op hen neer. Zij kunnen niet protesteren en hebben geen macht.’

De gouverneur wordt ongeduldig, zijn wachtkamer zit vol met mensen. Hij heeft nog een boodschap voor de internationale gemeenschap. ‘We moeten drie dingen doen,’ dicteert hij. ‘Ten eerste publieke voorlichting over de schadelijke gevolgen van opium en duidelijk maken dat het maken ervan verboden is. Verder moeten we ontwikkelingsprojecten opzetten en werk creëren voor de bevolking. Tenslotte moeten we onze infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg, die tijdens de oorlog verloren zijn gegaan, weer opbouwen. We hebben wegen nodig, irrigatiekanalen, drinkwatervoorziening en elektriciteit. Dit kunnen we niet alleen, daar we hebben buitenlandse hulp voor nodig.’

Gewasvernietiging

Tot frustratie de bevolking komt er maar weinig van internationale ontwikkelingshulp naar Badakhshan. Het meeste geld wordt besteed aan het gewelddadige zuiden, terwijl het in het noorden relatief veilig is. ‘Er is af een toe een raketaanval op de Duitse PRT hier, maar die raakt hun basis nooit,’ zegt Sue Jordan, een Amerikaanse die voor het Poppy Eliminatie Programma (PEP)-team in Badakhshan werkt.

De PEP-teams zijn opgezet om de gouverneurs te ondersteunen. Ze bestaan uit lokale staf en internationale adviseurs, en houden zich bezig met informatiecampagnes. Zo verspreiden ze posters waarop een skelet wordt gewurgd door een papaverplant.

De teams monitoren ook de destructie van papavervelden. ‘Wij zijn behoorlijk streng geweest in het Jurm-district, waar we vijfduizend hectare opiumproductie hebben vernietigd,’ zegt Sue. ‘Nu zijn we bezig in het Baharak-district.’

Met Sue rijden we in een grote gepantserde jeep naar het Baharak-district. ‘Van de boeren is tien procent landeigenaar, de anderen zijn dagloners,’ meldt Sue, ‘Die laatste groep is berooid en in een moeilijke positie.’ Na twee uur rijden komen we in haar werkgebied. Terwijl een tractor het papaverveld omploegt, kijken het lokale districtshoofd en de politiecommandant toe. De plantjes zijn ingezaaid in oktober, en zijn pas twintig tot dertig centimeter hoog. ‘Ik heb vijfhonderd dollar geleend voor dit opiumveld, om arbeid en kunstmest te betalen,’ zegt Nur, de vijfenveertigjarige boer, die er verbouwereerd bij staat. ‘Normaal gesproken kan ik mijn lening terugbetalen in opium of in contant geld. Maar nu weet ik niet hoe ik die lening kan aflossen. Het is te laat in het seizoen om nog iets anders te verbouwen.’
‘We zouden niet alleen maar eropuit moeten gaan om hun velden te vernietigen,’ geeft Sue toe, ‘We zouden het moeten opvolgen met hulpprogramma’s.’ Maar die programma’s zijn er niet.

Het succes van Nangarhar

Een paar dagen later rijden we via Kabul naar Jalalabad, het provinciale centrum van Nangarhar. De hoofdweg daarheen is de voornaamste handelsroute met Pakistan. Op deze route vinden geregeld overvallen plaats door criminele benden. Onderweg zien we konvooien vrachtwagens, geëscorteerd door pick-ups met bewapende mannen, als beveiliging tegen de wegpiraten.Het is niet aan te raden hier ’s nachts te rijden.

In Jalalabad is onderdak geregeld in een gastenverblijf van de VN. Maar onze Afghaanse chauffeur blijkt daar niet welkom, in verband met ‘culturele verschillen’. Dat bevalt ons niet, en al evenmin dat het VN-guesthouse nogal ver buiten het centrum ligt. We doen een vergeefse poging bij een ander hotel, maar daar is geen plek voor ons drieën. We leggen ons er maar bij neer.

Die avond wordt ons duidelijk wat die ‘culturele verschillen’ zijn. Het is donderdagavond, de avond voor de vrije vrijdag. Het rustige pension verandert snel in een disco waar de alcohol rijkelijk vloeit. Amerikaans beveiligingspersoneel, macho’s van een privéleger, staat te swingen op The Doors.

De volgende dag horen we hoe hier wordt gewerkt aan alternatieven voor de opiumproductie. De Europese Commissie financiert het PAL-project (Project Alternative Livelihoods for Eastern Afghanistan), een model om binnenkort ook in Uruzgan aan opiumboeren aan te bieden. ‘Ook wij hebben geen recept voor snelle oplossingen,’ zegt projectleider Carl, ‘geduld is een eerste voorwaarde.’ Het project is een laboratorium om een integrale en duurzame aanpak te testen: het versterken van lokale overlegstructuren, het ontwikkelen van alternatieve producten zoals zonnebloemen en rozen, het scheppen van werkgelegenheid en van een verzekerde afzetmarkt, het bouwen van elektriciteitsvoorzieningen met kleine waterkrachtinstallaties, het stimuleren van kleinschalige industriële ontwikkeling, dat soort dingen.

Het PAL-project was nog maar net van start toen in 2004 Nangarhar een opiumban werd opgelegd. Met beloften van grootschalige ontwikkelingshulp lieten lokale autoriteiten, dorpsoudsten en religieuze leiders zich overtuigen de provincie opiumvrij te maken. Volgens schattingen van het VN-antidrugsbureau daalde de opiumproductie in één jaar tijd met zesennegentig procent, van achtentwintigduizend hectare in 2004 naar duizend hectare in 2005.

Later die dag rijden we verder oostwaarts. Op deze weg richtten Amerikaanse militairen onlangs een bloedbad aan. Nadat hun konvooi was aangevallen door een zelfmoordterrorist, schoten de mariniers in paniek op alles wat bewoog. Gevolg: zestien burgerdoden en tientallen gewonden. De sfeer is nog steeds gespannen, nu aangewakkerd door de vernietiging van papavervelden. We waren gewaarschuwd dat opiumboeren de aanwezigheid van buitenlanders juist nu niet op prijs stellen: ze zijn bang dat de vreemdelingen de aandacht vestigen op hun veld – net nu de oogsttijd aanbreekt. Overal staan veldjes in bloei. Aan de voet van de ‘slangenberg’ stoppen we bij een uitgestrekt veld waar boeren bezig zijn met de oogst. We vragen onze chauffeur er eerst alleen naar toe te lopen om uit te leggen wat we komen doen. Even later lopen we met de vriendelijke eigenaren door de witroze bloemenzee. Hier en daar zijn de bloembladen al afgevallen en zijn mensen bezig de bollen in te kerven zodat de opium naar buiten sijpelt.

Het enorme veld blijkt van verschillende families te zijn. ‘Vorig jaar stond hier nog graan,’ vertelt een van de boeren, ‘Maar ik heb zes zonen en drie dochters die allemaal naar school gaan, dit is de enige manier waarop ik dat kan betalen.’ Hij verwacht dit jaar dankzij voldoende regenval een recordoogst; zijn veld staat er inderdaad prachtig bij. Zo’n veld in het volle zicht van de provinciale hoofdweg, daar moeten bijna wel afspraken met de politie over gemaakt zijn, denken we.

PEP-talk

Terug in Jalalabad bellen we het PEP-team. ‘We komen jullie wel even halen,’ roept de Amerikaanse adviseur. Twee minuten later scheuren twee gepantserde voertuigen op ons af. Met mitrailleurs in de aanslag springen de DynCorp-bewakers eruit, een van de wagens gaat dwars op de weg staan om het verkeer tegen te houden en onder escorte vertrekken we naar de PEP-bunker. Die blijkt driehonderd meter om de hoek te liggen. We hadden net zo goed kunnen lopen. Veel liever eigenlijk, want dit zijn de weinige momenten tijdens onze reis dat we ons echt onveilig voelen.

De PEP-adviseur vertelt dat de opiumproductie, die in 2004 zo goed als weg was in Nangarhar, nu snel weer toeneemt. ‘De wurggreep van de ban werd wat losser, maar vorig jaar waren de boeren nog voorzichtig,’ zegt hij. ‘Dit jaar zien we in de provincie het duidelijke antwoord op het eerdere verlies van levensonderhoud: overal weer papaver.’

De Amerikanen hadden hun antwoord onmiddellijk klaar: chemische besproeiingen. Groot was hun frustratie toen de regering vasthield aan haar standpunt dat er geen herbiciden gebruikt mochten worden bij de papaververdelging. De gouverneur van Nangarhar probeert dit jaar een balans te vinden tussen verdelging en stabiliteit, zeker nadat in verschillende districten schietpartijen en rellen uitbraken. Tractoren werden in brand gestoken, wegen geblokkeerd en er vielen doden en gewonden. Hij beweert met behulp van lokale politie toch al bijna vijfduizend hectare vernietigd te hebben, maar tot half april zijn daar nog maar vijftienhonderd hectare van bevestigd door de VN-controleur. Ook heeft hij duidelijk gemaakt dat de omstreden AEF niet welkom is in zijn provincie. De schietpartij door de Amerikaanse mariniers ‘heeft mogelijk de ruimte voor onderhandeling over het vernietigen van opium beïnvloed,’ volgens de PEP-adviseur.

Rozeneiland in papaverzee

De volgende dag gaan we mee naar een rozenproject in het Achin-district. Een destilleerderij verwerkt grote ladingen bloemen tot rozenolie en rozenwater. De geur in het fabriekje is heerlijk en blijft nog dagen in onze kleren hangen.

Zakken met veertig kilo rozen worden in de grote kookpotten leeggestort, maar zo’n lading levert niet meer dan twee milliliter olie op. Een liter sterk geconcentreerde rozenolie brengt op de Europese markt maar liefst vierduizend euro op. In totaal wordt er nu tweeëndertig hectare rozen gekweekt, allemaal door voormalige opiumboeren.

Er komt een pot thee op tafel en we praten met de werknemers over de rozen als alternatief voor de papaverteelt. Winst maakt het rozenfabriekje nog niet, er zijn nog problemen met de omzet en afzet, maar het plan is volgend jaar een verdubbeling van het aantal hectares. Van de – nu nog gesubsidieerde – opbrengst kan een familie die voldoende land heeft een redelijk bestaan opbouwen. Helemaal haalt het toch niet bij de opbrengst van opium, reden waarom drie boeren inmiddels de rozenstruiken uit de grond getrokken hebben.

Een van de aanwezigen woont in een dorp aan de voet van de Spingharbergen, een traditioneel bolwerk van opiumhandel pal aan de Pakistaanse grens. ‘Als je ergens niet heen moet gaan dezer dagen, is het die streek,’ zo waren we van verschillende kanten gewaarschuwd. De situatie daar zou tamelijk explosief zijn vanwege de dreigende papaververnietiging en geregelde incidenten met groepen taliban die vanuit Pakistan de bergen oversteken. Onze rozendestilleerder ziet het probleem niet zo. ‘Als jullie mijn gast zijn, is er niets aan de hand,’ zegt hij. We stappen in de auto.

Naarmate de bergrug dichter bij komt, nemen de papavervelden toe en eenmaal bij het dorp staan we te midden van een zee van papavers die zich naar alle kanten tot aan de horizon uitstrekt. Hier is de papaver wit, volgens de boeren de variant die het meeste oplevert. En ook hier wordt een topoogst verwacht dankzij de gunstige weersomstandigheden. Aan de rand van de velden zien we overal kleine cannabisplantjes staan. ’s Zomers staat op dezelfde velden een woud van cannabis. En te midden van die papaverzee vinden we met enige moeite één eilandje met rozen, symbolisch voor de proporties van ‘alternatieve ontwikkeling’.

Vele koppen thee later bespreken we de lokale drugseconomie. Een plaatselijke opiumhandelaar laat ons een zak gedroogde opium zien. Hij breekt een brok open om ons te laten ruiken en proeven. ‘Ik maak zo’n twintig procent winst met opkopen van boeren en weer verkopen aan de grotere handelaren met heroïnelaboratoria,’ zegt hij. Intussen zit het halve dorp om ons heen en tot onze verbazing vertellen mensen vrijuit dat ze bijverdienen in zo’n laboratorium, even verderop in de bergen. ‘De prijzen van de chemicaliën zijn schrikbarend gestegen,’ zeggen ze. Vooral het speciale zuur dat essentieel is voor heroïneproductie is tegenwoordig per liter duurder dan opium per kilo. Het hele productieproces wordt stap voor stap met ons doorgenomen. ‘Zeven kilo opium kan verwerkt worden tot één kilo morfinepasta en om daar een kilo heroïne van te maken, heb je ongeveer evenveel zuur nodig.’ Daarmee heb je dan goede kwaliteit bruine heroïne, ‘brown sugar’ zoals die hier in Europa de markt domineert, rookbare heroïne. Om het witte poeder te krijgen dat ook gesnoven en geïnjecteerd kan worden, is nog een wat ingewikkelder raffinage nodig, dat lukt meestal niet in die simpele labjes hier in de bergen. Na het eten komt iemand nog even een kilo zuivere heroïne laten zien. ‘De waarde hiervan is drieëntwintighonderd dollar,’ zegt hij. In Nederland is dat toch al snel twintig keer zoveel.

We kunnen nu niet anders dan sceptisch reageren op het ‘succes’ van de opiumban in Nangarhar. De jubelende persverklaringen van het drugskantoor van de VN maken je kwaad, wetend wat voor drama’s daarachter schuilgaan. Voor onze ogen zien we vandaag dat drastische maatregelen als een afgedwongen opiumban of vernietiging van papavervelden niet alleen de verpauperde bevolking hard treft, maar ook geen duurzaam effect heeft.

De doelstelling is om dit jaar vijftigduizend hectare om te ploegen. Als we vertrekken, staat de teller op tweeëntwintigduizend. En nu doet Afghan Eradication Force zijn heilzame werk in Uruzgan, waar Nederlandse soldaten de hearts and minds van de boeren moeten veroveren.

Vrij Nederland

TNI Drugs and Democracy Programme Coordinator

Martin Jelsma is a political scientist who has specialised in Latin America and international drugs policy.  In 2005, he received the Alfred R. Lindesmith Award for Achievement in the Field of Scholarship, which stated that Jelsma "is increasingly recognized as one of, if not the, outstanding strategists in terms of how international institutions deal with drugs and drug policy."

In 1995 he initiated and has since co-oordinated TNI's Drugs & Democracy Programme which focuses on drugs and conflict studies with a focus on the Andean/Amazon region, Burma/Myanmar and Afghanistan, and on the analysis and dialogues around international drug policy making processes (with a special focus on the UN drug control system). Martin is a regular speaker at international policy conferences and advises various NGOs and government officials on developments in the drugs field. He is co-editor of the TNI Drugs & Conflict debate papers and the Drug Policy Briefing series.

TNI projects