De Chileense collaboratie van Milton Friedman

23 October 1976
Article

Orlando Letelier's article "The Chicago Boys in Chile: Economic Freedom's Awful Toll" published in Dutch by the Haagse Post on 23 October 1976.

Published at
Haagse Post

TNI and the Pinochet precedent
Translation of The Nation

Meteen na de coup van 11 september 1973 schoot de gevierde Amerikaanse monetarist Milton Friedman de Chileense junta te hulp met een plan voor een economische 'shock-therapie'. Drie jaar later zijn de resultaten van zijn bemoeienis zichtbaar geworden: een inflatie van 341 procent, een snel stijgende kindersterfte en een om zich heen grijpende ondervoeding. Aldus de econoom Orlando Letelier, oud-minister uit de regering-Allende, in zijn laatste artikel. Op 21 september werd Letelier in Washington door een bomaanslag vermoord. Milton Friedman kreeg vorige week de Nobelprijs voor economie.

Dat een economisch beleid wordt bepaald door sociale en economische omstandigheden, en dat de uitvoering van zo'n beleid de sociale en politieke omstandigheden beïnvloedt, lijkt het intrappen van een open deur.

Als ik er toch de nadruk op leg, is dat omdat het noodzakelijk verband tussen economische politiek en de sociaal-economische 'setting' afwezig schijnt te zijn in de vele analyses van de huidige toestand in Chili. Om het eenvoudig te stellen: het verkrachten van mensenrechten, het systeem van geïnstitutionaliseerd geweld en de drastische onderdrukking van elke oppositie worden gezien (en vaak veroordeeld) als verschijnselen, die slechts indirect of helemaal geen verband houden met het klassieke, bandeloze 'vrije markt'-beleid van de militaire junta.

Dit geldt vooral voor particuliere en openbare financiële instellingen, die openlijk het economisch beleid van de regering-Pinochet loven en steunen, hoewel ze het 'slechte internationale imago' betreuren dat de junta geniet door haar 'onbegrijpelijke' hardnekkigheid om tegenstanders te martelen, in de gevangenis te gooien of te vervolgen. Een recent besluit van de Wereldbank om de junta een lening van 33 miljoen dollar te verstrekken werd door president Robert McNamara gerechtvaardigd omdat het was gebaseerd op puur 'technische' gronden, waarmee werd gezegd dat er geen verband was gelegd met de huidige sociale en politieke omstandigheden in het land.

Niemand heeft die instelling waarschijnlijk beter verwoord dan de Amerikaanse minister van Financiën. Na een bezoek aan Chili, waarbij ook de schending van de mensenrechten ter sprake kwam, feliciteerde William Simon generaal Pinochet omdat hij het Chileense volk 'economische vrijheid' had gebracht (The Times, 17 mei 1976).

Deze bijzonder praktische conceptie van een sociaal systeem, waarin 'economische vrijheid' en politieke terreur naast elkaar kunnen bestaan zonder dat ze elkaar beïnvloeden, stelt dit soort financiers in de gelegenheid hun opvatting over 'vrijheid' uit te dragen en toch met de mond de mensenrechten te verdedigen.

De bruikbaarheid van deze zienswijze wordt vooral geapprecieerd door degenen, die het economisch beleid zoals dat nu in Chili wordt uitgevoerd, hebben bedacht. In Newsweek van 14 juni stelt Milton Friedman, de intellectuele architect en de officieuze adviseur van het team economen dat de Chileense economie runt: 'Hoewel ik het totaal niet eens ben met het autoritaire politieke systeem in Chili, geloof ik niet dat het onjuist is dat een econoom technische economische adviezen verstrekt aan de Chileense regering, zoals ik het ook niet fout vind dat een arts technisch medisch advies zou geven aan de Chileense regering om een epidemie te bestrijden'.

Het is curieus dat een man die een boek schreef, 'Capitalism and Freedom', waarin hij aanvoert dat alleen een klassiek economisch liberalisme een politieke democratie kan onderheien, nu zo gemakkelijk de economie weet los te maken van de politiek, wanneer de economische theorieën die hij propageert samenvallen met een absolute beperking van elke vorm van democratische vrijheid.

Het economische programma dat nu in Chili wordt uitgevoerd, is de vervulling van de oude aspiraties van een groep Chileense economen die grotendeels door Milton Friedman en Arnold Harberger zijn opgeleid aan de Chicago University. Toen ze tot over hun oren betrokken waren bij de voorbereiding van de staatsgreep lieten deze 'Chicago Boys' - zoals ze in Chili genoemd worden de generaals weten dat ze bereid waren, de bruutheid waarover de militairen beschikten aan te vullen met de intellectuele kwaliteiten waarover zij beschikten.

De US Senate Select Committee on Intelligence heeft onthuld dat 'medewerkers van de CIA' hebben geholpen bij het opstellen van de economische maatregelen die de Chileense junta onmiddellijk na de machtsoverneming afkondigde (Business Week, 12 januari 1976). Getuigen voor de commissie houden staande dat sommige 'Chicago Boys', geld van de CIA kregen voor ondernemingen als het opstellen van een 300 pagina's tellende economische blauwdruk, die de militaire leiders voor de coup ter hand werd gesteld.

Het spreekt vanzelf dat zij na de coup 'hun teugels verbraken', zoals The Wall Street Journal van 2 november 1973 het stelde, en zich op de Chileense economie wierpen. Eerst opereerden ze nog voorzichtig. Maar na een jaar van betrekkelijke verwarring besloten ze zonder veel wijzigingen het theoretische model toe te passen zoals hun dat was geleerd in Chicago.

Dat besluit deden de heer Friedman en zijn rechterhand Harberger afreizen naar Chili, waar ze ruimschoots met publiciteit werden omgeven om een shock-behandeling voor de Chileense economie aan te prijzen. 'De enige medicijn', zoals Friedman nadrukkelijk liet weten. 'Absoluut. Er is geen ander middel. Er is geen andere lange-termijnoplossing' (El Mercurio, 23 maart 1975).

Het is niet mijn bedoeling om de algemene deugdelijkheid van de uitgangspunten van Friedman en de Chicago-School aan de orde te stellen. Ik wil me alleen concentreren op wat er gebeurt als het Friedman-model wordt toegepast in een land als Chili.

Zowel vanuit economisch als vanuit moreel oogpunt zijn Friedman's theorieën dan verwerpelijk omdat ze een volledige vrije-markt-politiek voorstaan binnen het raam van extreme ongelijkheid tussen alle economische betrokkenen.

Het is absurd om te spreken over vrije concurrentie in Chili. De monopolies zijn zeer dominerend. Een studie, die in 1966 tijdens de regering-Frei werd gemaakt, stelt vast dat '284 ondernemingen alle sectoren, zonder enige uitzondering, van de Chileense economische bedrijvigheid controleren. In meer dan 50 procent van de ondernemingen bezitten de tien grootste aandeelhouders tussen de 90 en 100 procent van het kapitaal' (Politica y Espirito, No. 356; 1975). In de periode voordat de regering-Allende aan de macht was, zijn ook studies verschenen waarin werd aangetoond in hoeverre de Chileense economie werd gedomineerd door buitenlandse multinationals. Barnet en Müller merkten in 'Global Reach' op: 'In het Chili van voor Allende werd 51 procent van de 160 grootste ondernemingen daadwerkelijk gecontroleerd door multinationale firma's. Van de 22 grootste multinationals die in het land opereerden, hadden er 19 geen enkele concurrentie te duchten of deelden de markt met andere oligopolisten'.

Tussen 1971 en '73 werden de meeste monopolistische en oligopolistische industrieën genationaliseerd. Maar het vuur waarmee de militaire dictatuur de staatsdeelneming in de economie heeft ontmanteld en industrieën aan buitenlandse eigenaars heeft overgedragen doet veronderstellen dat het niveau van concentratie en monopolisering nu minstens weer even hoog is als voor de regering-Allende.

Een rapport van het Internationale Monetaire Fonds uit mei 1976 stelt vast: 'Het proces om het overgrote deel van de ondernemingen die in de afgelopen 15 jaar, maar vooral in de periode 1971-'73 deel zijn gaan uitmaken van de publieke sector, terug te geven aan particulieren gaat door (in 1975). (-) Eind 1973 beheerde de Openbare Ontwikkelings Corporatie (CORFO) een totaal van 492 ondernemingen, inclusief 18 commerciële banken (-) Hiervan zijn 253 ondernemingen teruggegeven aan hun voormalige eigenaars, (-) Van de andere 239 ondernemingen zijn er 104 (waaronder 10 banken) verkocht; over zestien ondernemingen (waaronder twee banken) is het principebesluit tot teruggave al genomen; over de verkoop van nog eens 21 ondernemingen wordt met groepen potentiële kopers onderhandeld.

De overblijvende bedrijven worden te koop aangeboden aan de hoogste bieder. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de kopers gezocht moeten worden onder een klein aantal machtige belanghebbenden die deze ondernemingen inpassen in de monopolistische en oligopolistische structuren waarbinnen ze functioneren. Anderzijds is een aanzienlijk aantal industrieën verkocht aan transnationale ondernemingen, zoals de nationale bandenindustrie (INSA), die voor een onbekend bedrag is overgenomen door Firestone, en een van de belangrijkste papier-verwerkende industrieën (Celulosa Forestal Arauco), die is opgekocht door Parsons & Whittemore.

Markt

Er zijn heel wat andere voorbeelden te geven die aantonen dat Friedman's voorschriften, zeker op het gebied van de vrije concurrentie, niet de economische effecten opleveren, waarin zijn theoretisch model voorziet.

In de eerste helft van 1975 werd de prijscontrole op melk opgeheven. Wat was het resultaat?

De consumentenprijs steeg met 40 procent terwijl de prijs die aan de producenten werd betaald met 20 procent daalde. Er zijn in Chili meer dan 10.000 melkproducenten maar er zijn maar twee melk-verwerkende ondernemingen, die de markt controleren. Op de Chileense markt worden wel vijftien buitenlandse merken huishoudelijke apparaten aangeboden, maar al die merken zijn in handen van drie bedrijven, die ze in Chili monteren en die de kleinhandelprijzen vaststellen.

Natuurlijk zullen de aanhangers van de Chicago-School aanvoeren, dat de Chileense monopolies en oligopolies bloot komen te staan aan de vrije concurrentie zodra de internationale markt wordt geliberaliseerd, zoals voorgeschreven in hun theoretisch model. Dat gebeurt echter niet.

Chili heeft zo'n gebrek aan buitenlandse betaalmiddelen dat het zelfs de meest noodzakelijke goederen niet kan invoeren. Nog belangrijker is dat buitenlandse ondernemingen niet geïnteresseerd zijn in het verschepen van goederen naar Chili die zouden kunnen concurreren met goederen die door hun eigen Chileense 'dochters' worden geproduceerd.

De economische adviseurs van de junta schuiven gemakshalve bepaalde aspecten van de economische leer van de ChicagoSchool terzijde. In Chicago wordt het belang onderschreven van vrije loononderhandelingen tussen werkgevers en werknemers; en bovendien wordt de nadruk gelegd op de doeltreffendheid van de markt als instrument om geld in de economie te pompen.

Het is wat sardonisch om te praten over het recht van de arbeider om over zijn loon te onderhandelen in een land waar zijn vakbeweging buiten de wet is gesteld en waar de lonen per decreet door de junta worden vastgesteld. Het is even belachelijk je te verlaten op de markt als instrument om geld in de economie te pompen, als algemeen bekend is dat er praktisch geen produktieve investeringen worden gedaan omdat speculatie de meest winstgevende 'investering' is.

Onder de leuze: 'We moeten een kapitaalmarkt scheppen in Chili' kregen zorgvuldig uitverkoren particuliere groepen met bescherming van de junta het recht zogenaamde 'financieras' op te richten, die zich bezig gingen houden met de meest grove financiële speculaties. Zo erg dat zelfs Orlando Saez, oud-voorzitter van de Chileense werkgeversorganisatie en fervent verdediger van de militaire staatsgreep, protesteerde. 'Het is niet mogelijk', zei hij, 'de financiële chaos te laten voortduren. We moeten de miljoenen en miljoenen, die nu onder de ogen van al die mensen die geen werk hebben worden gebruikt voor buitensporige speculatiedoeleinden, ombuigen in produktieve investeringen' (La Terce, 9 april 1975). Maar het kernpunt van de Friedman-doctrine - wat de junta niet nalaat te benadrukken - is het in de hand krijgen van de inflatie. Daarvoor is, volgens de junta, 'de uiterste inspanning van alle Chilenen nodig'.

Professor Harberger verklaarde in 1975 categorisch: 'Ik zie geen enkel excuus waarom de inflatie niet kan worden gestopt. De oorzaken zijn bekend. De tekorten en de monetaire expansie van de regering moeten worden gestopt. Ik weet dat u mij nu naar de werkloosheid gaat vragen. Als de tekorten van de overheid met de helft worden teruggebracht zal de werkloosheid met niet, meer dan een procent stijgen' (Que Pasa, 10 april 1975).

Volgens de cijfers die de junta zelf heeft verstrekt, is het tekort van de overheid over de periode april-december 1975 met ongeveer 50 procent teruggebracht. In diezelfde periode steeg de werkloosheid zes keer zo veel als Harberger had voorspeld. Maar Harberger blijft aanvoeren dat de overheidsuitgaven moeten worden teruggebracht, zodat de geldcirculatie inkrimpt. Hij zegt echter niet wie zijn levensstandaard zal moeten verlagen om de kosten van deze geneeswijze te kunnen dragen.

Fiasco

Drie jaar zijn voorbijgegaan sinds het Friedman-experiment in Chili begon en er zijn nu voldoende feiten beschikbaar om vast te stellen dat de Chileense volgelingen van Friedman hebben gefaald, in het bijzonder waar het gaat om het beteugelen van de inflatie.

Wel zijn ze geslaagd in een ander, principiëler doel: de economische en politieke macht is in handen gebracht van een kleine, dominante klasse door de rijkdom over te hevelen van de arbeiders- en middenklasse naar een uitverkoren groep monopolisten en financiële speculanten.

Het feitelijk bewijs van het economisch échec is verbijsterend. Na het laatste bezoek van de heren Friedman en Harberger aan Chili zei minister van Financiën Jorge Cauas op 24 april 1975: 'De eerbiedwaardige junta heeft mij gevraagd een economisch programma op te stellen en uit te voeren dat in de eerste plaats gericht is op het stoppen van de inflatie. Met een groep technici hebben we de Chileense autoriteiten een programma voor economisch herstel voorgelegd, dat is goedgekeurd en in uitvoering zal worden genomen'. (De 'groep technici', waarover hij het had, is Friedman & Co.) Eind 1975 bedroeg de inflatie 341 pct - de hoogste ter wereld. De consumptieprijzen waren dat jaar met gemiddeld 375 pct gestegen, de groothandelsprijzen met 440 pct. Volgens een recent rapport van het Internationale Monetaire Fonds over de inflatie in Chili verstrekten de 'financieras' in 1975 leningen tegen een rente van 14 pct per maand, oftewel 168 pet per jaar. In New York leenden zij op hun beurt het geld tegen 10 en 12 pct per jaar.

Het inflatoire proces dat de junta onmiddellijk na haar staatsgreep aanzwengelde, werd in 1975 ietwat teruggeschroefd als je het vergelijkt met de ongelooflijke inflatie van 375,9 pct in 1974. Maar zo'n geringe teruggang wijst niet op een stabilisering en lijkt geen enkele verlichting te betekenen voor de meerderheid der Chilenen die de totale ineenstorting van hun economie moeten verduren.

Depressie

De devaluatie van het geld en de beperking van de overheidsuitgaven heeft een depressie veroorzaakt, die - in drie jaar tijds - de groei heeft teruggebracht tot wat die twaalf jaar geleden was.

Het Bruto Nationaal Produkt daalde in 1975 met bijna 15 pct, naar het laagste niveau sinds 1969. Volgens het IMF daalde het reële nationale inkomen 'met minstens 26 pct, waardoor het werkelijke inkomen per hoofd van de bevolking onder het niveau van tien jaar geleden kwam te liggen'.

De agrarische produktie stagneerde in 1975-1976. Dat werd veroorzaakt door een combinatie van factoren, waaronder de voortdurende prijsstijgingen van ingevoerde kunstmesten en pesticiden.

De resultaten van de buitenlandse handel zijn desastreus. In 1975 daalde de export met 28 pct, van 2,13 miljard dollar naar 1,53 miljard. De import daalde met 18 pct, van 2,24 miljard dollar naar 1,81 miljard. Dat betekent een handelstekort van 280 miljoen dollar.

De invoer van voedingsstoffen daalde van 561 miljoen dollar in 1974 tot 361 miljoen in 1975. In dezelfde periode liep de binnenlandse voedselproduktie terug, wat een geweldige daling van het beschikbare voedsel voor de massa van het Chileense volk betekende.

De buitenlandse schuld steeg tussen december 1974 en december 1975 van 3,60 miljard dollar tot 4,31 miljard. Dit benadrukt nog eens Chili's afhankelijkheid van buitenlandse financiers. Het beleid van de junta heeft Chili opgezadeld met een van de hoogste buitenlandse schulden per hoofd van de bevolking in de wereld. In de komende jaren zal het land meer dan 34 pct van zijn geplande exportverdiensten moeten besteden aan het betalen van de buitenlandse schuld.

Het meest dramatische resultaat van het economisch beleid ligt echter in de stijging van de werkloosheid. Voor de staatsgreep bedroeg de werkloosheid 3,1 pct, een van de laagste percentages op het westelijk halfrond. Eind 1974 was het werkloosheidspercentage gestegen tot 10 in het gebied van Santiago en nog hoger in andere delen van het land. Volgens officiële cijfers van de junta en van het IMF was dit percentage eind 1975 18,7. In sommige specifieke sectoren, zoals de bouw, bedroeg de werkloosheid zelfs 40 pct.

Uitdelingen

In de loop van 1976 is de werkloosheid verder toegenomen. Volgens zeer voorzichtige ramingen hadden in juli om en nabij 2,5 miljoen Chilenen (ongeveer een kwart van de bevolking) geen enkel inkomen. Ze blijven in leven dank zij voedsel- en kledinguitdelingen door de kerk en andere humanitaire instanties.

Een om zich heen grijpende ondervoeding, stijgende kindersterfte en het groot aantal bedelaars in de straten tonen een beeld dat Chili nog nooit heeft gezien. De kindersterfte, die in de jaren van de regering-Allende aanzienlijk werd teruggebracht, steeg in het eerste jaar na de staatsgreep onmiddellijk met 18 pct, aldus een cijfer van de economische VN-commissie voor Latijns-Amerika.

De economische politiek heeft niet alleen de arbeidersklasse hard getroffen, maar het debâcle is ook sterk voelbaar in de middenklasse. Vele kleine en middelgrote ondernemers zien hun verwachtingen in rook opgaan door het dalen van de vraag. Ze worden vernietigd en opgeslokt door de monopolies, tegen wie ze het - volgens de theorieën - in de vrije concurrentieslag zouden moeten opnemen.

De aard van het economisch beleid en zijn resultaten kunnen waarschijnlijk het best worden aangetoond aan de ontwikkeling van de inkomensverdeling. In 1972 ontvingen ambtenaren en arbeiders 62,9 pct van het totale nationale inkomen; 37,1 pct ging naar de bezitters in de particuliere sector. In 1974 kregen de loontrekkenden maar 38,2 pct, terwijl 61,8 pct naar de zelfstandigen ging. In 1975 zijn de reële lonen, volgens een schatting van het IMF, gedaald met 8 pct en het is aanneemlijk dat deze tendens in de verdeling van het nationale inkomen zich in 1976 voortzet. Dat betekent dat in drie jaar tijds vele miljarden dollars uit de zakken van de arbeiders zijn gehaald en in handen zijn gegeven van kapitalisten en grootgrondbezitters. Dat zijn de gevolgen van de economische 'medicijnen', die Milton Friedman en zijn vrienden voorschrijven.

Regel

De concentratie van de rijkdom in de handen van weinigen is geen uitzondering maar regel. Het is niet het marginale resultaat van een moeilijke situatie - zoals men de wereld graag wil laten geloven - maar de grondslag van een sociaal project. Het is niet een economisch échec maar een tijdelijk politiek succes.

Het werkelijke falen bestaat niet uit het schijnbare onvermogen van de nationale bourgeoisie in Chili en haar buitenlandse aanhang om tot een herverdeling te komen van de nationale rijkdom of om een wat gelijkmatiger weg naar ontwikkeling en economische groei in te slaan, maar uit hun onvermogen de meerderheid van de Chilenen te overtuigen van de redelijkheid en noodzakelijkheid van hun beleid.

Het economische model moest worden opgedrongen en dat betekende in de Chileense context dat er duizenden mensen gedood moesten worden, dat er concentratiekampen moesten worden ingericht, dat meer dan 100.000 mensen moesten worden gevangen gezet, dat vakbonden en andere arbeidersorganisaties moesten worden vernietigd en dat er einde moest worden gemaakt aan alle vormen van politieke activiteit en vrije meningsuiting.

De Chicago Boys hebben de laissez-faire dromen en de politieke hebzucht van de oude oligarchie van grootgrondbezitters, van de haute bourgeoisie, van monopolisten en speculanten voorzien van een vernisje van technische eerbiedwaardigheid. De militairen hebben de brute kracht geleverd om de dromen waar te maken. Onderdrukking van de meerderheid van het volk en 'economische vrijheid' voor een kleine elite zijn in Chili twee kanten van dezelfde medaille.

Daarom bestaat er een innerlijke harmonie tussen de twee prioriteiten, die de junta na haar staatsgreep van september 1973 afkondigde: de 'vernietiging van de marxistische kanker' en de vestiging van een vrije 'particuliere economie', met een inflatiebestrijding volgens het recept van Milton Friedman.

Het is derhalve absurd dat degenen die het Chileense economische beleid inspireren, steunen en helpen financieren, hun optreden verdedigen als 'zuiver technisch' en tegelijkertijd voorwenden dat ze het terreursysteem - dat noodzakelijk is om dat beleid tot een succes te maken - verwerpen.

Copyright 1976 The Nation