Het Chileense Watergate. Pinochet en de moord op Letelier

17 February 1978
Article

 

Het Chileense Watergate. Pinochet en de moord op Letelier
John T. Alves
Haagse Post, 27 February 1978


Anderhalf jaar geleden werd Orlando Letelier, oud-minister in de regering van Salvador Allende, in Washington vermoord. Zijn dood is junta-leider Pinochet sindsdien blijven achtervolgen en zelfs binnen Chili krijgt de zaak-Letelier langzamerhand verbazingwekkende proporties. John T. Alves analyseert de juridische schermutselingen tussen Amerika en Chili en de plotselinge strijdbaarheid van de Chileense pers.


 

De moord op Orlando Letelier, op 21 september 1976, kwam voor het hoofd van de Chileense junta, generaal Augusto Pinochet Ugarte, niet als een verrassing. Degenen die bekend waren met de tactieken die de militaire regering sinds zij aan de macht gekomen was toepaste, keken er ook niet van op, want zij schreven de verantwoordelijkheid ervoor zonder aarzelen aan Pinochet toe. Het probleem was alleen om bewijsmateriaal te verkrijgen waarmee de beschuldiging dat Pinochet er persoonlijk bij betrokken was, bevestigd kan worden.

In het verleden heeft de geheime politie van Pinochet - de DINA - ongestraft operaties uitgevoerd in het buitenland. Hoewel haar rol in de moord op generaal Carlos Prats en de aanslag op Bernardo Leighton voor velen duidelijk was, is er nooit een regeringsonderzoek naar beide zaken ingesteld en de daders van de acties zijn nog steeds niet bekend. Maar door Letelier te vermoorden in Washington DC, waarbij ook een Amerikaans burger, Ronni Karpen Moffitt, om het leven kwam, plantte de DINA een zaadje dat uiteindelijk de manier waarop deze geheime politie te werk gaat aan het licht zou brengen.

Ballingen

De onmiddellijke nasleep van de misdaad was, tenminste wat betreft het onderzoek van de Amerikaanse regering dat erop volgde, voor Pinochet zonder twijfel geruststellend. De DINA die alleen aan hem verantwoording schuldig was, en de medewerkers die voor de operatie waren uitgekozen, hadden weer met kalme, dodelijke efficiency geopereerd, dacht Pinochet.

En daar leek het ook op in de zeventien maanden die volgden, toen het netto resultaat van een onderzoek dat naar schatting al meer dan vier miljoen dollar gekost heeft, bestond uit één Cubaanse balling achter de tralies (omdat hij niet voor de Grand Jury wilde verschijnen), en een twintigtal Cubaanse ballingen die voor een Grand Jury in Washington gesleept werden zonder dat er een aanklacht uit voortkwam; dat alles zonder enige openbare verwijzing naar de rol van de Chileense junta.

Dat alles veranderde op 17 februari van dit jaar, toen het Amerikaanse onderzoek waarvan gevreesd werd dat het als een nachtkaars uit zou gaan, plotseling tot leven kwam. Toen ze er niet in geslaagd waren om in eigen land bewijsmateriaal aan het licht te brengen dat de misdaad tot een oplossing kon brengen, dienden de leiders van het onderzoek volgens een zelden toegepaste procedure een "verzoek om internationale rechterlijke bijstand" in of "rogatore commissiën", met de bedoeling om via de Chileense rechterlijke macht twee mannen te kunnen ondervragen die slechts als "leden van het Chileense leger" bekend stonden.

Op die dag liet de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken, Warren Crhistopher, bij de toenmalige Chileense ambassadeur in Washington Jorge Cauas een vóórconcept van een document bezorgen, waarin stond dat de Verenigde Staten van mening waren dat de twee mannen, Juan Williams Rose en Alejandro Romeral Jara, "kennis en informatie omtrent deze moordzaken" bezaten. Er werd aan toegevoegd dat "tenminste één van deze mannen een ontmoeting had gehad met één van de personen die verantwoordelijk geacht werden" voor de misdaad. Beide mannen - van wie aangenomen werd dat ze agenten van de DINA waren - hadden in de vroege zomer van 1976 met behulp van valse documenten een visum voor Amerika gekregen; als dit niet aan het licht was gekomen, en als de visa niet op 9 augustus van dat jaar niet waren ingetrokken, dan zou het onderzoek waarschijnlijk wegens gebrek aan bewijsmateriaal zijn stopgezet.

Verhoor

Maar de DINA was deze keer een beetje slordig geweest; ze hadden regegeld dat het Chileense ministerie van Buitenlandse Zaken officiële paspoorten zou uitreiken aan de twee agenten die met de zaak belast waren, net zoals ze dat vroeger ook gedaan hadden om hun agenten op ambassades in het buitenland te plaatsen. Met deze paspoorten en een verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken om een visum voor Amerika, kreeg het tweetal op 17 augustus een A-2 visum voor meerdere bezoeken toegewezen, dat zes maanden geldig was. De namen en foto's die op de paspoorten vermeld stonden, zouden later de eerste klap vormen voor Pinochets zorgvuldig opgebouwde facade van onschuld, omdat ze de basis vormden voor de "rogatore commissiën"-procedure en - toen aangetoond werd dat de namen op de paspoorten vals waren - aanleiding gaven tot ernstige twijfel.

Toen de Chileense diplomatieke dienst van deze stap op de hoogte was gebracht, tekende opperrechter William B. Bryant van het Amerikaanse Districtsgerechtshof van het District Columbia op 21 februari de aanvraag voor het "rogatore commissiën"-verzoek aan Chili, dat ingediend was door de Amerikaanse minister van Justitie Earl J. Silbert. Rechter Bryant verzocht de Chileense gerechtshoven om het verhoor "zo spoedig mogelijk" te doen plaatsvinden.

De Chileense pers pikte het verhaal meteen op en twee dagen later onthulde het grootste dagblad van dat land, de junta-gezinde El Mercurio, dat de adressen die voor Williams en Romeral opgegeven waren òfwel niet bestonden, òfwel dat er niemand van die naam woonde.

Nadat de beschuldiging geuit was dat de twee mannen tot het leger behoorden, liet de junta woordvoerders van iedere afdeling opdraven om dit te ontkennen; luitenant-kolonel Eterio Pavez van het leger zei dat Williams en Romeral "niet bestaan hebben en nog steeds niet bestaan", fregatkapitein Roberto Garnham van de marine voegde eraan toe dat zij "nooit op de lijst van marine-officieren gestaan hadden", en luchtmachtkolonel Alberto Echazu Collao kwam met een al Tomas Amemabar van de Chileense Ambassade in Washington, viel hen bij met een verklaring dat er "in onze archieven niet vermeld staat dat er ooit een Juan Williams Rose of een Alejandro Romeral Jara in deze stad geweest zijn." Minister van Buitenlandse Zaken Patricio Carvajal stelde een onderzoek in om erachter te komen wie de twee officiële paspoorten aan de beide mannen had uitgegeven, maar het werd de Amerikaanse onderzoekers duidelijk dat er meer onthullingen van hun kant moesten komen om het onderzoek in Chili boven het niveau van de bureaucratie uit te laten komen.

Op 3 maart werden er foto's doorgespeeld aan de Washington Star, die er een artikel bij afdrukte waarin sprake was van hoge regeringsfunctionarissen die bereid zouden zijn om de Amerikaanse ambassadeur terug te roepen, of zelfs om de diplomatieke betrekkingen met Chili op te schorten, als dit land niet snel medewerking zou willen verlenen aan deze zaak.

Stilzwijgen

De ontwikkelingen in het onderzoek en het aantal politieke manoeuvres dat Pinochet daardoor heeft moeten ondernemen, hebben elkaar met opmerkelijke snelheid opgevolgd. Het kwam ook enigszins als een verrassing dat de Chileense pers - die meer dan vier jaar monddood was gemaakt - Pinochets grootste kwelgeest bleek te zijn. Ze rekenden erop dat het onderzoek zó verstrekkend was, vooral dank zij de vastberaden houding van Amerika, dat Pinochet niet meer in staat was om naar willekeur journalistieke naspeuringen tegen te houden. Het was per slot de eerste keer dat er zo'n "rogatore commissiën"-verzoek aan de Chileense rechterlijke macht gericht werd. Bovendien was het Amerikaanse verzoek om de twee mannen in tegenwoordigheid van de Amerikaanse onderminister van Justitie Eugene M. Propper te mogen ondervragen, de eerste keer dat een buitenlandse regering iemand probeerde te sturen die ter plaatse getuige kon zijn van de rechterlijke procedures in Chili.

Gesteund door deze voorgeschiedenis deed El Mercurio op 4 maart een oproep aan de regering om de resultaten van het onderzoek naar wie de officiële paspoorten aan mannen met valse namen had uitgegeven, openbaar te maken, want "het stilzwijgen van onze autoriteiten op dit punt is schadelijker dan de erkenning van een ernstige onregelmatigheid van de kant van functionarissen die het goede vertrouwen van een buitenlandse consul geschonden hebben."

Diezelfde dag publiceerde ook deze krant de foto's van Williams en Romeral die in de Washington Star gestaan hadden. En de dag erop zorgde hetzelfde Chileense blad, dat tijdenlang beweerd had dat Letelier vermoord was door extreem-linkse personen die erop uit waren om de junta ten val te brengen, voor de volgende grote onthulling, toen het "Williams" identificeerde als Michael V. Townley, een Amerikaanse elektronicus die sinds 1957 in Chili woonde.

Townley's identiteit kwam aan het licht toen de foto van "Williams" overeen bleek te komen met een foto van hem die was verschenen in de editie van 9 juni 1973 van Puro Chili, een pro-communistisch orgaan. In het bijbehorende artikel, waarin hij "een man van de CIA" werd genoemd, werd verslag uitgebracht van Townley's rol in een operatie van de rechtse groepering Patria y Libertad in maart van dat jaar, waarbij een nachtwaker om het leven was gekomen.

In het nummer van 5 maart '78 van El Mercurio verscheen een interview met een vroegere brochureschrijfster van Patria y Libertad en winnares van een literaire prijsvraag die door dat blad gesponsord was, Mariana Inez de Callejas, die beweerde Townley gekend te hebben voordat hij in 1973 "via een pas in de Andes" Chili ontvluchtte. Ze verschafte ook vrijwillig inlichtingen omtrent zijn ogen en had het, vreemd genoeg voor iemand die sinds 1961 met hem getrouwd geweest was op alle punten bij het verkeerde eind.

Op 9 maart idenfiticeerde El Mercurio "Romeral" als de infanterie-kapitein Armando Fernandez Larios en het blad werd hierin ondersteund door een legercommuniqué dat dit bevestigde. Vanaf dat moment werden alle Chileense nieuwsorganen in beslag genomen door het verhaal van de internationale intriges, dat nu bestempeld werd als de "zaak-Letelier". Alle hoofdrolspelers werden overspoeld door zwermen door Watergate geïnspireerde journalisten. De pers belegerde de huizen van Townley en Fernandez Larios en zette er dag en nacht mensen op wacht. De Chileense kranten drukten alle artikelen uit de wereldpers af die betrekking hadden op de zaak, zelf communiqué's die uitgegeven waren door de Socialistische Partij in het buitenland, en wat misschien wel het belangrijkste was, waagden het speculaties te maken over de mogelijke medeplichtigheid van Pinochet.

Ammunitie

Pinochet had zich intussen rustig op de achtergrond gehouden en was ongetwijfeld een tegenoffensief aan het voorbereiden dat hij spoedig uit zou voeren in een poging de gemoederen in het land van de zaak-Letelier af te leiden. De paar initiatieven die hij genomen had wezen ogenschijnlijk op een coöperatieve houding, zoals zijn opdracht aan het ministerie van Buitenlandse Zaken om vast te stellen wie de twee officiële paspoorten uitgegeven had en de benoeming van een speciale "ad hoc"-aanklager om toezicht te houden op het onderzoek en om de twee mannen te ondervragen. Dan was er natuurlijk ook nog het oorspronkelijke "verzoek" van Amerika, dat door het Chileense hooggerechtshof goedgekeurd was met de instructie aan de gerechtshoven om de twee betreffende mannen "zo snel mogelijk" op te sporen en te ondervragen.

Met al deze juridische ammunitie publiceerde Pinochet op 10 maart eindelijk zijn eerste openbare verklaring inzake het onderzoek. Terwijl hij benadrukte dat de Amerikaanse onderzoekers "de hoogste mate van medewerking" werd geboden, voegde Pinochet eraan toe dat "deze regering niets te maken had gehad met de misdaad... Ik heb de indruk dat dit een goed opgezette campagne is, zoals al de campagnes die de communisten opzetten om de regering in discrediet te brengen."

Toen Pinochet om commentaar gevraagd werd op de foto van Fernando Larios, in vergelijking met de eerder gepubliceerde foto van "Romeral", verklaarde hij: "Ik weet niet of het hem is of niet; bepaalde details geven echter de indruk dat hij het niet is." El Mercurio maakte al snel duidelijk dat Fernando Larios wel "Romeral" was, dat hij in 1969 afgestudeerd was aan de Militaire Academie en deel had genomen aan de bezetting van La Moneda, en dat hij de zoon was van een gepensioneerde generaal van de luchtmacht die vroeger luchtvaart-attaché in Washington was geweest.

Er verschenen soortgelijke verhalen met details over de achtergrond van Townley, die op veertienjarige leeftijd naar Chili was gekomen, waar zijn vader benoemd was tot directeur van de plaatselijke Fordvestiging. Zeven jaar later trouwde Townley met Mariana Callejas en werkte hij in Santiago als een "uiterst bekwaam specialist op het gebied van elektronica en ontstekingsmechanismen"; in 1972 hielp hij de rechtse beweging Patria y Libertad met het opzetten van een piratenzender. Bovendien werd in een beschrijving van zijn huis vermeld dat de twee bovenste verdiepingen vol stonden met "verfijnde elektronische apparatuur."

In een interview met La Tercera de la hora vertelde Townley's vrouw later wat zij wist van zijn relaties met de regering-Pinochet. Ze verklaarde dat "hij voor de regering werkt. Hij maakt reizen naar het buitenland om elektronische apparatuur aan te schaffen voor de beveiliging van de president. En niet alleen daarvoor, ook voor andere dingen."

Townley's elektronische deskundigheid kwam goed van pas bij het plaatsen van een lange afstandsklok op de C-4 kneedbom die onder Orlando Letelier en Ronnie Moffitt ontplofte, één van die "andere dingen" waar Callejas op doelde. Pinochets enige hoop is dat Townley, als hij tot praten gedwongen wordt, niet in staat zal zijn om de rol van de Chileense president in de operatie nauwkeurig te omschrijven.

Kogelwond

De drie parallel lopende onderzoeken - dat van de gerechtshoven, van de "ad hoc"-onderzoekers en van het ministerie van Buitenlandse Zaken - vorderden allemaal met een slakkegangetje, vergeleken met de energieke rol van de Chileense journalisten die de zaak onderzochten. Het grootste probleem voor het gerechtshof bleef het feit dat de rechterlijke macht niet in staat was om de twee gezochte mannen voor ondervraging op te sporen.

De "ad hoc"-onderzoekers naar de uitgave van de officiële paspoorten verklaarden op 12 maart dat, overeenkomstig de traditie, de paspoorten zelf "misschien al verbrand waren"; ze konden slechts bevestigen dat de twee mannen op 22 augustus 1976 naar Amerika vertrokken waren en op 2 september van datzelfde jaar terugkwamen. Tijdens dit onderzoek werd echter onthuld dat de consulaire functionaris die verantwoordelijk was voor de uitgave van de paspoorten, op 22 oktober 1976 onder msyterieuze omstandigheden gestorven was. Deze Guillermo Osorio stierf aan wat toentertijd als een hartaanval werd omschreven; na een maand werd er autopsie gepleegd op zijn lichaam en daarbij werd een gapende kogelwond in zijn voorhoofd aangetroffen, waarna rechter Manuel Silva besliste dat het "een duidelijk geval van zelfmoord" betrof.

Ondanks geruchten over regeringsbemoeienis met de zaak-Osorio en beschuldigingen van zijn weduwe die verklaarde dat generaal Juan Manuel Contreras Sepulveda op de dag dat Osorio stierf bij hem geweest was, weigerde de leider van het "ad hoc"-onderzoek de zaak diepgaander te onderzoeken, met de motivering dat dat "geen deel uitmaakte van zijn opdracht". Al gauw daarna gaf hij de zaak volledig uit handen en verklaarde dat hij op terreinen gestuit was die slechts tot de bevoegdheden van de militaire rechter behoorden.

De onderzoekers van de Amerikaanse regering kregen de indruk dat er in Chili omgeen gedraaid werd en dat er een grotere druk van achter de schermen nodig was om meer medewerking van Pinochet te verkrijgen. Een delegatie onder leiding van de Chileense onderminister van Binnenlandse Zaken kolonel Enrique Montero, die Amerika bezocht, werd ernstig toegesproken over de bereidheid van de Verenigde Staten om de diplomatieke betrekkingen op te schorten als gemerkt werd dat er gebrek aan medewerking was om Townley en Fernandez Larios voor ondervraging op te sporen.

Op 19 maart arriveerde de Amerikaanse onderminister van Justitie Propper in Santiago om procedurekwesties inzake het Amerikaanse "rogator commissiën"-verzoek te bespreken met een Chileense advocaat die ingehuurd was om Amerika te vertegenwoordigen. Drie dagen later kwam de junta met twee legerofficieren te voorschijn die ondervraagd konden worden, maar dat waren niet Townley noch Fernandez Larios. Via deze ongeloofwaardige zet probeerde men kennelijk erachter te komen wat voor vragen er aan de twee mannen gesteld zouden worden; later verontschuldigde de Chileense regering zich voor wat zij noemden een "kennelijke persoonsverwisseling".

John Dinges van de Washington Post schreef over de stormachtige bijeenkomst die volgde op dit incident, waarbij Propper en de Amerikaanse ambassadeur George Landau aanwezig waren. De twee Amerikanen, die woedend waren over de poging om hen te misleiden, benadrukten bij hun ontmoeting met minister van Buitenlandse Zaken Carvajal en generaal Odlanier Mena - het hoofd van het bureau dat de DINA opgevolgd was, het Centrum voor Nationale Informatie (CNI) - dat Townley voor ondervraging ter beschikking gesteld moest worden. De Amerikanen verkregen, na wat Dinges bestempelde als een "confrontatie", de verzekering dat de Chilenen alles zouden doen wat in hun macht lag om hem op te sporen.

Fernandez kon op dat moment al ondervraagd worden, maar het werd duidelijk dat de getuigenis van Townley belangrijker was en dat het niet wenselijk was om de vragen die hem gesteld zouden worden, voortijdig te onthullen.

Oorlog

Naarmate de strik om Townley's nek werd aangehaald, merkte Pinochet dat het onderzoek langzaamaan zijn richting uitging. In een poging om de door hemzelf gecreëerde schijn van onschuld te versterken, deed hij een aanval op de man die binnen de hiërarchische structuur van de DINA direct verantwoordelijk was voor de activiteiten van Townley, het ex-hoofd van de DINA, generaal Contreras.

Deze officier, die de trouwste aanhanger van de president geweest was, kondigde op 21 maart tot grote verbazing zonder nadere toelichting zijn "vrijwillige" ontslag uit het leger aan. Nog maar vier maanden eerder had Pinochet zijn hoogst weerspannige junta-vriendjes gedwongen om de promotie van Contreras tot brigadier-generaal te aanvaarden; pas twee maanden tevoren was hij als de persoonlijke afgezant van de president naar Argentinië gestuurd, met de taak om generaal Jorge Videlas te kalmeren, die zijn land bijna op voet van oorlog met Chili gebracht had wegens een geschil over het Beagle-kanaal dat de grens tussen de twee landen vormt.

De snelheid van Contreras' val wekte verwarring en zelfs een soort gevoel van "malaise" in de militaire gelederen. Juan de Onis van de New York Times citeerde de woorden van een kortgeleden gepensioneerde generaal: "Contreras ontbeet iedere dag met president Pinochet toen hij nog hoofd van de DINA was en nu wordt hij door zijn sponsor uit het leger gegooid. Iedere officier vraagt zich af waarom."

Het algemeen heersende ongeloof aan de officiële versie van het ontslag van Contreras maakte al snel plaats voor geruchten dat hij onder huisarrest gesteld zou zijn. Het leger werd op zijn beurt gedwongen om een verklaring uit te geven waarin die verhalen krachtig ontkend werden, maar zelfs dat kon geen eind maken aan de scepsis van het publiek. Het weekblad Que Pasa, dat het legercommuniqué plichtsgetrouw had afgedrukt, voegde eraan toe dat "hij (Contreras) niettemin niet thuis blijkt te zijn noch genegen is om een interview te geven."

In een New York Times-bericht van Juan de Onis, waarin hij een beoordeling geeft van de stemming na het "ontslag", wordt verklaard dat "de opinie van veel Chilenen, onder wie zelfs een aantal dat altijd een trouw aanhanger van het militaire regime is geweest (-) is dat er 'iets niet in orde is'."

Identiteit

In de eerste week van april nam Pinochet een besluit over de kwestie-Michael Townley, die heel pijnlijk voor hem begon te worden. Hoewel Fernandez Larios zijn volledige medewerking aan de Amerikaanse "rogatore commissiën"-procedure gegeven had en alle 53 vragen die hem gesteld waren beantwoord had, bleef Townley er het zwijgen toe doen, afgezien van een eerder verstuurde brief aan El Mercurio, waarin hij ontkende "Juan Williams Rose" te zijn of zelfs ooit een Chileens paspoort te hebben gehad. Nadat hij geweigerd had om vragen te beantwoorden voor een gerechtshof, werd hij op 29 maart voor de militaire leider van het "ad hoc"-onderzoek gesleept, die de civiele onderzoekleider Libedinsky vervangen had.

Deze nieuwe leider van het "ad hoc"-onderzoek, wiens identiteit in het begin geheim gehouden werd, was generaal Hector Orozco, die vroeger deel had uitgemaakt van de militaire rechtspraak. Orozco nam Townley volgens de berichten tien uur lang onderhanden, en waarschijnlijk werd Townley's lot bezegeld toen Pinochet door Orozco op de hoogte werd gebracht van het resultaat van zijn onderzoek.

Diezelfde dag vertrok onderminister van Justitie Propper weer naar Chili om het verhoor van Townley en Fernandez Larios voor een gerechtshof als waarnemer bij te wonen. Op 4 april legden de twee een getuigenis af voor rechter Juana Gonzalez, die toezicht hield op het Amerikaanse "rogatore commissiën"-verzoek maar weer zonder dat Propper daarbij aanwzig was. Volgens de New York Times gaven de twee toe dat ze agenten van de DINA waren en dat ze vóór de moord op Letelier in Amerika geweest waren, maar beiden ontkenden iets met de misdaad van doen te hebben. En weer weigerde Townley antwoord te geven op de vraag of hij contacten onderhouden had met Cubaanse ballingen in Amerika.

Op 6 april keerde Propper terug naar Washington en gaf te kennen teleurgesteld te zijn over de langzame vordering van het onderzoek. In werkelijkheid had hij echter toestemming van Pinochet gekregen om Townley over te brengen naar de Verenigde Staten.

Vliegtuig

Op 7 april werd Townley plotseling gearresteerd, wat naar verluidt voor hem als een volledige verrassing kwam. Als om de laatste druppel aan propagandawaarde uit hem te wringen en aldus de bewering te schragen dat ze bereid was medewerking te verlenen aan de loop van het recht, stuurde de junta de secretaris-generaal van de regering, generaal Rene Vidal, naar een persconferentie waarop de uitwijzing van de Amerikaan aangekondigd werd.

Dit was een regelrechte schending van de overeenkomst met de Amerikaanse autoriteiten, die bedongen hadden dat de kwestie geheim zou blijven tot Townley in Amerika zou zijn aangekomen. Pinochet bleef dus tot het eind van deze fase van het onderzoek volharden in zijn dubbelhartigheid. Op 8 april werd Townley haastig op een vlucht van Ecuatoriana Airlines naar Amerika gezet. De uitwijzing werd zelfs zo snel ten uitvoer gebracht, dat Townley en de FBI-agenten die hem vergezelden, Carter Cornick en Robert Scherrer, met niets anders dan de kleren die ze aan hadden in het vliegtuig stapten.

Het toestel dat oorspronkelijk bestemd was voor New York, kreeg tijdens de vlucht van de FBI-mannen een andere route aangewezen en landde op International Airport van Baltimore-Washington. Op 9 april werd Townley gedagvaard als een belangrijke getuige voor de moord op Letelier en Moffitt; borgtocht werd hem geweigerd en hij werd uit veiligheidsoverwegingen vastgehouden in de gevangenis van Fort Meade (Maryland).

Het is nog te vroeg om te kunnen bepalen hoeveel klaarheid Townley, als hij daartoe bereid is, zou kunnen brengen, over het besluitvormingproces dat tot de dubbele moord geleid heeft. Het lijkt echter duidelijk dat hij de werkelijke aanstichters van de misdaad aan kan wijzen en op z'n minst de functionarissen van de DINA aan wie hij verslag moest uitbrengen. Het is mogelijk dat zijn onthullingen in Chili zo'n schok zullen veroorzaken dat Pinochet ten val gebracht wordt, waardoor er een groep opportunistisch "reformistische" officieren aan de macht kan komen, als er al niet teruggekeerd wordt tot een burgerlijk regime.

De sleutel tot de hele zaak blijft echter het probleem om voldoende aanwijzingen bijeen te brengen - aangenomen dat er geen direct bewijs naar boven komt - om krachten binnen Chili op te wekken die tot de val van Pinochet leiden. De vooruitzichten daarop zijn niet erg hoopvol.

We moeten aannemen dat generaal Orozco's verslag aan Pinochet over de verklaringen van Townley, de dictator er uiteindelijk toe gebracht heeft de Amerikaan vrij te geven. Als dat zo is, dan is Pinochet er misschien van overtuigd dat zelfs Townley's meest vernietigende onthullingen geen schade toe zullen brengen aan zijn regime. Of misschien wil Pinochet wel toegeven dat de DINA er inderdaad bij betrokken was, maar dat het initiatief tot de moorden slechts van generaal Contreras uit is gegaan.

Er is al een dubbelzinnige hint in die richting gegeven; de New York Times van 8 april verklaarde dat: "... Chileense functionarissen Amerikaanse diplomaten hebben verteld dat het ontslag (van Contreras) op touw was gezet om medewerking aan het Letelier-onderzoek te laten blijken". Als deze tactiek verder gevolgd wordt is het echter ondenkbaar dat Contreras, ondanks zijn loyaliteit, zijn mond zou houden, tenzij de generaal zou "verdwijnen", zoals al gefluisterd wordt.

Als Pinochet deze troef uitspeelt, dan betekent het dat het zijn laatste is, want de DINA kan - zoals Pinochet in september 1977 tegenover een Chileens journalist verklaarde - nooit zonder zijn opdrachten te werk gaan.

Op 14 april werden twee leden van de groep Cubaanse ballingen uit New Jersey die ervan verdacht wordt de moord ten uitvoer te hebben gebracht - Guillermo Novo en Alvin Ross Diaz van de Movimiento Nacionalista Cubano - in Miami gearresteerd. De stukjes van de puzzel van de moord op Letelier die zij, samen met Townley, misschien kunnen verschaffen, trekken de strop om Pinochets nek nog strakker aan.

Mocht dit alles explosief genoeg blijken, dan kunnen we er zeker van zijn dat het Watergate van Pinochet hem een lot zal bezorgen dat aanzienlijk minder rooskleurig is dan de knusse beslotenheid van San Clemente.

Copyright 1978 Haagse Post