Over Financialisering, exitopties voor kapitaal en mogelijkheden tot verzet

Daniel Chavez in gesprek met Ewald Engelen
09 December 2016
Article

Photo credit Tessa Kersten-Zenger using work by Gan Khoon Lay
Wat is nu werkelijk de rol van geld in de huidige Europese en internationale politiek?

Dat is een grote vraag. Ik zou zelf niet zozeer inzoomen op geld, als wel op finance. Als je door je oogharen naar de geschiedenis van het wereldwijde kapitalisme van de afgelopen veertig à vijftig jaar kijkt, valt het op dat het belang van finance op elk gebied is toegenomen. Dan gaat het niet alleen over banken, maar ook over vermogensbeheerders, financiële markten, financiële instrumenten, financiële logica, financiële expertise en financiële professionals. Ze zijn doorgedrongen in alle aspecten van het sociale leven en hebben dat beladen met zorgen die vooral financieel van aard zijn. Wij burgers zijn onszelf ook steeds meer als gefinancialiseerde subjecten gaan zien. Dat is wel een van de meest opvallende ontwikkelingen van de laatste decennia.

Hoe zou je het concept van financialisering uitleggen aan niet-academici?

Ja, het klinkt inderdaad complex, maar eigenlijk is het best simpel. De politieke elites zijn aan een project begonnen van toenemende neoliberalisering van samenlevingen en economieën. Voor burgers resulteert dat in het inhalen van het vangnet van publieke, sociale en collectieve voorzieningen. Daar zijn financiële markten voor in de plaats gekomen. Eind jaren zeventig bijvoorbeeld woonde in Nederland, een goed ontwikkelde West-Europese welvaartstaat, bijna 70% van alle gezinnen in sociale huurwoningen van woningbouwverenigingen die door de staat werden gesteund. Nu, veertig jaar later, bezit 55% van de Nederlandse huishoudens een eigen huis. Natuurlijk is een huis veel te duur om van je eigen spaargeld te betalen, dus huizenbezitters zitten vast aan dertigjarige hypotheken met fluctuerende rentebedragen. Daardoor wordt je huis veranderd van iets waar je in woont, met een gebruikswaarde, naar iets met een speculatieve waarde, een marktwaarde. Dat is financialisering in een notendop.

Recent heb je de opkomst belicht van mogelijke en verschillende terreinen van verzet tegen financialisering. Wat bedoel je daar precies mee?

Dat zijn eigenlijk twee vragen, één over de diversiteit en één over het potentieel. De kwestie van verscheidenheid is belangrijk, want we hebben de neiging om met heel technische oplossingen aan te komen voor de grote financiële crisis die tussen 2007 en 2008 tot uitbarsting kwam. Dergelijke oplossingen variëren van grotere vermogensbuffers voor banken en het opbreken van banken - het herintroduceren van Glass-Steagallachtige wetgeving - tot meer radicale ideeën over full reserve banken. Maar zulke ideeën komen allemaal neer op een enkele silver bullet die het klusje zou moeten klaren. Ik denk dat dat, zowel politiek als qua effectiviteit, een vergissing is. We doen er beter aan om over finance en financialisering na te gaan denken als iets dat meerdere lagen heeft en op meerdere manieren het sociaal-economische leven bedreigt. Als je dat specifieke perspectief serieus neemt, dan kun je dat omzetten in potentiële verzetsterreinen.

Hier en daar is dat al gebeurd. Rondom belastingontwijking bijvoorbeeld, en TTIP. Of mensen die coöperatieven en broodfondsen opzetten, op zoek naar peer-to-peer uitwisselingen. We zien dus plekken waar verzet ontstaat tegen de dominantie van financialisering, maar op andere terreinen is daar nog geen sprake van. Zoals huisvesting: het wordt nog steeds als iets goeds gezien om de toename van koopwoningen te propageren, terwijl we eigenlijk zouden moeten streven naar een herwaardering van het belang van goede sociale huurwoningen die voor iedereen toegankelijk zijn. Hier in Amsterdam heb je een organisatie genaamd Fair City, met filialen in andere delen van Europa, die zich bezighoudt met de vraag van wie en voor wie de stad is. Steden zijn steeds meer eigendom van de rijken en de middenklasse die het zich kunnen veroorloven om vastgoed te kopen. Vooral de steden die zichzelf als succesvol beschouwen. De stad zou er natuurlijk moeten zijn voor een veel bredere groep burgers; ook voor hen die het zich niet kunnen veroorloven om onroerend goed te kopen. Ook zij hebben recht op de stad. De stad wordt wel steeds meer omgevormd tot een potentieel gebied van verzet, maar nog niet in de volle breedte.

Je hebt ook gezegd dat je geen mensen kent die de oppositie tegen financialisering willen of kunnen omzetten in een politiek project. En dat er geen partij of programma is dat al die verschillende plekken van verzet probeert te integreren in een politiek platform. Hoe zit het dan met nieuwe partijen als Podemos, of burgemeesters zoals Ada Colau in Barcelona, die deze thema’s op de politieke agenda proberen te krijgen?

Absoluut, daar heb je gelijk in. Ik vind dat elke organisatie of politieke beweging die, al is het maar één terrein van potentieel verzet probeert te bezetten, toegejuicht moet worden, want daar moet het allemaal vandaan komen. Maar uiteindelijk is het belangrijk om enig bewustzijn te hebben van hoe de volledige agenda eruit zou moeten zien. Vanuit mijn perspectief zou het moeten draaien om het tegengaan van de vergaande mate waarin kapitaal het hele democratische besluitvormingsproces heeft weten te hegemoniseren. Daarmee heeft het de wereld getransformeerd tot een plek waar bedrijven wel rechten maar geen plichten hebben, en waar ze over bewegingsvrijheid beschikken zonder enig besef van de noodzaak om sociaal onrecht te compenseren. Zo’n programma zou moeten worden ontwikkeld om alle verschillende terreinen van verzet te verbinden en in een bredere wereldwijde beweging om te zetten. Ada Colau komt uit een bepaalde beweging die zich verzette tegen de uitzettingen van families die niet langer hun hypotheken konden betalen. Zij staat dus voor een heel specifiek terrein van verzet dat zo verbreed is dat het haar het burgemeesterschap van Barcelona heeft gebracht. Dat is zeker een goede zaak, maar ik weet niet in hoeverre zij dat verzet tegen financialisering gebruikt als een soort politieke slogan die verbonden is met een breder politiek programma. En dat is waar we naar zouden moeten streven.

Je stelt dat er geen zilveren kogel is tegen financialisering. Maar kunnen gewone mensen, lokale gemeenschappen of zelfs de staat iets doen om de financiële architectuur terug te eisen en te democratiseren? Is er enige mogelijkheid tot herstructurering van het financiële system, de belastingstructuur of de overheidsbudgetten in de richting van werkelijke verandering?

Ja, ik denk wel dat mensen iets kunnen doen om echte verandering te bevorderen. Niet dat dat ons meteen in staat zou stellen om die specifieke beleidsvoorstellen te ontwikkelen die op tafel dienen te komen. Maar ik vind het best wel inspirerend dat mensen zich in toenemende mate bewust zijn geworden van het feit dat multinationals geen belasting betalen, dat ze dat oneerlijk en onrechtvaardig vinden, en bereid zijn om allerlei activistische strategieën te bedenken om daar een eind aan te maken. Waarmee ze steeds meer druk zetten op mainstream politieke partijen en beleidsmakers om de macht van finance tegen te gaan. Dit is natuurlijk een thema dat raakt aan de essentie van het kapitalisme, dus de verdediging van het kapitaal is uiteraard goed georganiseerd en heeft behoorlijk veel middelen tot zijn beschikking. Maar volgens mij is dit de eerste keer dat we de kans hebben om een bredere beweging tot stand te brengen tegen oneerlijke en onrechtvaardige belastingontwijking. En die zou gebruikt kunnen worden als hefboom voor een breder politiek programma tegen financialisering. Een soortgelijk verhaal kan je vertellen met betrekking tot CETA, TiSA en TTIP: mensen kijken steeds vaker door het verhaal heen dat hen is voorgehouden door de elite, over de zegenrijke effecten van die vrijhandelsverdragen, die niet gerealiseerd zullen worden. Burgers zijn zich meer bewust van de keerzijde van handel en de enorme verschillen in macht tussen kapitaal enerzijds en arbeid anderzijds. Dat is een enorme eye-opener voor een heleboel mensen die nooit eerder radicaal geweest zijn en zich nooit eerder geassocieerd hebben met een radicale of progressieve politieke economie, maar die dit systeem nu als oneerlijk en onrechtvaardig beschouwen. Dit kan allemaal gebruikt worden om mensen tot een breder politiek programma te bewegen, dat gericht zou moeten zijn op het tegengaan van financialisering.

Om het over Europa te hebben, wat is jouw interpretatie van het huidige debat over financiële planning? Wat vind je bijvoorbeeld van het vijf-presidentenrapport?

Jij en ik komen allebei net terug van de conferentie Beyond the Zombie Economy: Building a Common Agenda for Change in Londen waar er een hoop discussie was over de toekomstige financiële crisis en haar potentiële gevolgen, met name in Europa. Ik vond het verbazingwekkend dat de Europese Unie door veel activisten en onderzoekers nog altijd wordt gezien als een goede bron voor progressieve wetgeving, met een mooi sociaal-liberaal imago. Europa is in hoge mate een neoliberaal project geworden, wat de laatste paar jaar duidelijk zichtbaar is geworden in de behandeling van EU-landen als Ierland, Griekenland en Portugal. In de afgelopen acht jaar zijn we getuige geweest van de constitutionalisering van ordoliberale voorschriften voor het beheer van de markt of de markteconomie: beperkte staatsinmenging, vermindering van staatsschulden en het verleggen van de grenzen tussen de welvaartsstaat en de markt op zo’n manier dat alleen simpele diensten nog worden geleverd. Alles privatiseren, dat is eigenlijk de agenda, en dat brengt ongemakkelijke vragen met zich mee over de rol van de EU daarin.

Neoliberalisme in Europa is wat je ziet als je kijkt naar het vijf-presidentenrapport, dat volgens mij een verdere federalisering van soevereiniteit voorstaat in het domein van de EU. Uiteindelijk verleent dat allerlei privileges aan instituties die volledig buiten democratische controle om werken. De EU werkt in een democratisch vacuüm, wat betekent dat er, zodra de voorgestelde stappen zijn gezet, geen enkele manier is waarop gewone burgers het neoliberale beleid kunnen aanvechten. In wezen betekent dit het creëren van een ondernemersparadijs, want bedrijven hebben erg hechte banden met beleidsmakers in Europese instituties. Brussel is, net als Washington, een walhalla voor lobbyisten, en dat is waar het vijf-presidentenrapport eigenlijk om draait. Het probeert een politieke unie op te tuigen ten dienst van een fiscale unie, oftewel een financiële markt unie.

Nogmaals, het huidige beleid dat geïnitieerd werd door Jonathan Hill, een voormalige financiële-sectorlobbyist en nu EU-Commissaris van Financiële Markten, gaat in wezen om het dereguleren van de Europese financiële markten. Een paar korte voorbeelden: het doel is om een Europese interne markt op te zetten waarin hypotheekproducten kunnen worden verhandeld, precies diezelfde producten die ten grondslag lagen aan zowel de Amerikaanse financiële crisis als die in Europa. Het tweede voorbeeld refereert aan een artikel in de Financial Times van vandaag, waarin wordt gekeken naar de legislatieve obstakels waar beleggingsfonds in Londen tegen aanlopen bij het aanbieden van overgewaardeerde en erg dure vermogensbeheerdiensten in de rest van Europa. Dit is een dereguleringsagenda die wordt doorgevoerd acht jaar na een financiële en economische crisis die waarschijnlijk de ergste was sinds de jaren ‘30. Dat is verbijsterend!

Over Europa gesproken, veel van de linkse bewegingen in het Zuiden, vooral in Latijns-Amerika, hebben de neiging de Amerikaanse overheid als de bron van alle kwaad te zien en Brussel als een goedaardige macht. Hoe interpreteer jij deze perceptie?

Ik denk dat die perceptie een misperceptie is, maar het is natuurlijk makkelijk te begrijpen waar dit idee vandaan komt. Het heeft namelijk alles te maken met het militaristische en imperialistische beleid dat de VS hebben gevoerd in Zuid-Amerika, dat zij als hun achtertuin beschouwen. Europa heeft nooit zulk soort interventies uitgevoerd, maar wat betreft economische beleid kun je zeggen dat de verschillen tussen de VS en de EU niet zo groot zijn. Het gaat allemaal om het creëren van een juridisch raamwerk dat multinationals alle ruimte biedt om hun activiteiten uit te voeren waar ze dat maar willen, en zoveel belasting te laten betalen als ze zelf willen. Want vandaag de dag is belasting betalen voor multinationals vrijwillig, met bovenmatig veel ruimte om regelgeving te omzeilen die ze als niet-competitief zien. In die zin geldt hetzelfde voor Brussel als voor Washington. Brussel is een lobbyparadijs dat niets van doen heeft met democratie, aangezien het de gigantische machtsongelijkheid tussen gewone burgers en multinationals reproduceert en zelfs vergroot. Diezelfde multinationals zijn nu bezig met het optuigen van een nog grotere trans-Atlantische markt met het expliciete geopolitieke doel om derde partijen uit te sluiten. CETA en TTIP zullen niet voordelig zijn voor producenten of consumenten in Latijns-Amerika of elders in het Zuiden.

Ik kan me voorstellen dat het bij de heronderhandelingen over Mercosur veel meer over tarieven zal gaan, terwijl het bij de onderhandelingen met de VS niet om tarieven gaat, die zijn er nog maar heel weinig, maar over het harmoniseren van de markten. Maar uiteindelijk zullen de effecten hetzelfde zijn, want het idee is om exit-opties voor kapitaal te creëren. En ligt aan de basis van wat er naar mijn mening mis is met het hedendaagse kapitalisme, wat uiteindelijk neerkomt op een verdere toename van ongelijkheid wat betreft macht, arbeidsmiddelen en kapitaal. Elk vrijhandelsverdrag vergroot de exitopties van kapitaal, omdat arbeid, om allerlei sociale, culturele of politieke redenen de neiging heeft om vast te blijven zitten in bepaalde gemeenschappen, aangezien maar een heel klein gedeelte van de bevolking jaarlijks migreert. Om al deze sociologische redenen is arbeid immobiel, terwijl kapitaal steeds mobieler is geworden. Dat brengt machtsongelijkheden met zich mee die worden vergroot door vrijhandelsverdragen.

Nu we het toch over arbeid hebben, waarom denk jij dat deelnemers aan onze conferentie in Londen zo’n verhitte discussie aangingen over de betekenis en relevantie van schuldslavernij, een concept dat in politieke en academische discussies bijna niet voorkomt?

Dat heeft met financialisering te maken. Ik heb het gehad over de gemiddelde burger die steeds meer afhankelijk wordt van de diensten die door de financiële sector worden aangeboden, of het nou gaat om het afbetalingen van leningen of over spaargeld dat wordt beheerd door professionele vermogensbeheerders. In beide gevallen betekent dit eigenlijk dat werkende mensen een steeds groter deel van de dag werken voor de bank. Als je een huis bezit is dat meestal verbonden aan een lening en moet je werken om dat bedrag plus de rente terug te betalen. In de Nederlandse context betekent dit dat je feitelijk één dag per week werkt voor je bank, wat neerkomt op een nieuwe postmoderne en postdemocratische, gefinancialiseerde vorm van schuldslavernij. En dat wordt steeds meer, als je beseft dat je niet alleen om een huis te kunnen kopen afhankelijk bent van de financiële markten, maar ook steeds vaker om toegang tot hoger onderwijs te krijgen, of voor het gebruik van je credit card om periodes van werkloosheid door te komen. Voor allerlei diensten die vroeger door de welvaartsstaat werden verzorgd, ben je nu dus afhankelijk van de financiële markten. Dit betekent dat je in steeds sterkere mate werkt voor banken en andere financiële instanties.

In de afgelopen maanden is er veel debat geweest over een artikel van drie economen van de IMF, waarin zij stellen dat “het neoliberalisme ‘oversold’ is”. Dit heeft een sterke reactie van de Financial Times en andere vrije-marktpropagandisten opgewekt. De OESO heeft ook een artikel gepubliceerd met kritische standpunten die een afnemend vertrouwen in het neoliberalisme doen vermoeden. Wat is het werkelijke belang hiervan?

Dat is een cruciale vraag, die mij de gelegenheid geeft iets te zeggen over de huidige politieke conjunctuur. De crisis was van origine een crisis in de metropolen. Het kwam uit het kapitalistische centrum en de Amerikaanse en West-Europese kapitalisten verkochten hun neoliberale ideologie altijd op basis van een set externe verwachtingen over hun professionele expertise op het gebied van finance. De crisis heeft laten zien dat die professionele expertise een schijnvertoning is. Bankiers en goedbetaalde mensen met PhD’s van Ivy league-universiteiten of MBA’s van de duurste business-schools wisten geen zak. Ze hadden geen idee van wat ze eigenlijk aan het doen waren en zetten zichzelf te kijk als volslagen incompetente idioten. De crisis heeft dus het discours van deze flitsende, beweeglijke en zogenaamd moderne en geavanceerde, op expertise gebaseerde ideologie in diskrediet gebracht. En vervolgens hebben dezelfde ‘experts’ in de VS en vooral in Europa de crisis dermate verkeerd aangepakt dat we nu, bijna tien jaar nadat het begon, nog steeds niet terug zijn bij het niveau van 2008. Met als gevolg een gigantische en ongelijke herverdeling van de consequenties, wat zowel hier als aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een populistische tegenbeweging heeft veroorzaakt.

Dat brengt mij bij mijn beoordeling van de huidige politieke conjunctuur: de elites zijn fragiel en onzeker, ze hebben geen flauw benul wat ze moeten doen. Het enige antwoord dat ze hebben op hun eigen falende beleid is een soort van neoliberaal beleid 2.0, failing forward, zoals Jamie Peck het noemt, of een radicalisering van Maoistische proporties van de neoliberale revolutie, zoals Carol Williams het noemt. Dat is het enige dat ze kennen. Maar tegelijkertijd worden ze in toenemende mate geplaagd door hun geweten, en realiseren ze zich dat dat niet gaat helpen. Dat was duidelijk te bespeuren bij het IMF. Het IMF had al een veel hogere mate van zelfreflectie laten zien dan de meeste andere Washington Consensus-organisaties. Dus hebben ze dit artikel gepubliceerd waarin ze zich de vraag stellen of het “mogelijk is dat het neoliberalisme ‘oversold’ is”. En het antwoord was: “eigenlijk wel, op sommige punten was het oversold”. Zulke redeneringen laten de kwetsbaarheid en onzekerheden van de elites zien. Het leidde tot een hysterisch redactioneel commentaar van de Financial Times, dat erop neerkwam dat de IMF zich zou hebben gelieerd aan restauratieve conservatieve krachten. Het doet vermoeden dat de Financial Times volledig uit de pas loopt met de huidige tijd, want mensen zijn het zat en de beloftes worden niet waargemaakt. Ongelijkheid neemt toe, lonen stagneren en de middenklasse krijgt overal klappen. Sommigen weten dus dat ze van toon moeten veranderen en het IMF begrijpt dat. Dat is inderdaad de orde der dingen, maar andere delen van de elites proberen dat aan te vechten. We leven wel in interessante tijden, hele interessante tijden!